Spacen

Fransen hebben een bizarre houding ten opzichte van drugs. Zo gaan ze er bijvoorbeeld vanuit dat dat iedere Nederlander dol is op blowen. Toen de postbode laatst een pakketje van mijn moeder bij buurman Bernard had afgeleverd, riep hij bij mijn thuiskomt over het plein: ‘Eveline, je hasj is aangekomen hoor!’

Menig Fransman vindt het Hollandse gedoogbeleid maar onverantwoordelijk. Grappig genoeg ken ik veel meer Fransen dan Nederlanders die regelmatig een joint opsteken. In de Lage Landen bestaat gelukkig ook geen stad als Marseille, waar de straathandel in ‘shit’ hele wijken de afgrond insleurt.

Fans van softdrugs zijn er ook genoeg. Dat zijn doorgaans jonge mannen die regelmatig met een groep vrienden in een oud Renaultje naar Amsterdam rijden. Ze brengen het hele weekend door in een gore coffeeshop, kotsen in de gracht, en tuffen vervolgens half beneveld weer terug.

Harddrugs zijn hier net zoals in Nederland verboden. Maar de praktijk is hetzelfde, zag ik toen ik onlangs op een ruig technofestival in een Parijse voorstad was. Op het oog denderden daar evenveel feestgangers met bovenmatig enthousiasme over de dansvloer als op party’s in Amsterdam.

Op het feest hingen wat A4-tjes met de waarschuwing dat bezoekers die met drugs werden betrapt, direct het terrein moesten verlaten. Net als in Nederland. Daar kan de gesnapte in kwestie meteen zijn boete afrekenen bij een officier van justitie die hartgrondig zit te balen dat hij weekenddienst heeft.

Nederlanders zijn echter ook realistisch. Feestgangers kunnen bij de GGD laten testen wat voor rotzooi er allemaal in hun pscychedelica en aanverwanten zit. Op festivals staat doorgaans een tent met vriendelijke jongens en meisjes, die geduldig aan rondzwalkende jeugd met wegdraaiende pupillen vragen of ze ‘lekker aan het spacen zijn’. Ze delen glaasjes water uit en laten en passant vallen dat xtc ‘best ongezond’ is.

Aan dergelijke voorlichting wordt in Frankrijk niet gedaan. Via een vriend die de organisatoren van het festival kent, hoorde ik dat er op de afterparty twee feestgangers moesten worden afgevoerd. Diagnose: hartstilstand na een overdosis drugs.

 

Image

Franse feestgangers hebben wellicht ook baat bij een geitenwollensokkenvoorlichtingstent…

Advertenties

Quéquette

Een tachtigjarig omaatje schuifelde richting toonbank. “Ik weet het niet meer, Hugue. Heb ik de Télérama van deze week nou al gekocht of niet?” De krantenverkoper lachte geduldig. “Ja, schoonheid, gistermorgen. Wat heb je trouwens een práchtig pakje aan. Je lijkt wel dertig jaar jonger!”

Toen Hugue mij in het oog kreeg, verdween zijn glimlach. “Ma petite Eveline! Je leeft nog! Waar wás je al die tijd! Ik dacht: die is met spoed teruggeroepen naar Nederland! Of misschien is ze wel ziek!”

Beschaamd keek ik naar mijn krantenverkoper. Ik had hem inderdaad vergeten te vertellen dat ik twee keer vlak achter elkaar de stad uit was. “Je moet me inlichten als je weggaat”, zei hij streng. “Ik was ongerust!”

Af en toe overweeg ik een praktischer en goedkoper digitaal abonnement op een ochtendblad te nemen. Laten bezorgen heeft geen zin, want Parijse pubers zijn niet zo gek om voor drie knaken met een tas vol kranten rond te fietsen. In de stad is het dus de postbode die het nieuws brengt – om een uur of tien.

Dat betekent wel dat ik mijn Hugue zou moeten missen. Toen ik laatst voor het eerst op een dichte deur stuitte, bleek dat ik de impact daarvan niet moet onderschatten. Teleurgesteld las ik de hanepoten op zijn briefje: ‘gesloten vanwege de zoveelste distributiestaking’. Dat betekende geen krant, maar vooral geen grapjes, geen advies, geen complimentjes en geen geroddel over het meisje van de slager.

Image

Een dag later was Hugue zijn boosheid alweer vergeten. We bespraken de laatste onthullingen over Dominique Strauss-Kahn, de Franse ex-politicus die aan zijn eigen libido ten onder ging. “Die man denkt niet met zijn hersens, maar met zijn… quéquette!”, riep Hugue.

Hij begon het woord hardop in zijn volle winkel te spellen, ‘want dat zou me nog wel eens van pas kunnen komen’. Oude dametjes bloosden en giechelden. Toen was het duidelijk: een abonnement komt er bij mij niet in.

Kipfiletjes

Parijse bazaars verkopen werkelijk alles. Van shampoo waar je haar harder van gaat groeien tot wc-brillen, van waterkokers tot pikante lingerie. Sommige van die warenhuizen, meestal bestierd door Bengalen of Chinezen, zijn zo groot dat je er bijna in verdwaalt.

Onlangs kwam ik terecht in een Afrikaanse bazaar. Het warenhuisje was niet groot, maar wel overvol: het was tot aan het plafond volgestouwd met rommel. Het interieur was al fascinerend, maar het winkelen zelf bleek ook een belevenis.

“Haha, ik zoek een koffiezetapparaat”, zei ik tegen de Afrikaanse eigenaresse. “Dat verkoopt u natuurlijk helemaal niet!” Ze stapte achter een rek traditionele gewaden vandaan, zei ‘jawel hoor’ en schreeuwde keihard om haar man, die op een drafje aan kwam rennen.  Hij pakte een keukentrap en probeerde bij een volledig verstoft vooroorlogs model te komen, dat op drie meter hoogte achter een heleboel zwarte haarstukjes stond.

Mijn oog was intussen op iets veel interessanters gevallen: onderbroeken met voorgevormde billen erin. “Dat is voor mensen die geen kont hebben”, zei de Afrikaanse serieus. “We hebben ze ook met opgevulde heupen, maar die zijn allemaal al uitverkocht.” Ze bekeek me nog eens en voegde eraan toe: “we hebben ook voorgevormde bh’s hoor!” Sullig bekeek ik de twee kipfiletjes die ze me in handen stopte. Ik gaf ze snel door aan haar tweejarige dochtertje, die aan de verpakking begon te pulken.

Deze billenonderbroek is al razend populair, maar nog niets vergeleken bij het ondergoed met voorgevormde heupen…

Inmiddels had haar man het koffiezetapparaat naar beneden gehaald. “Hiernaast waren ze tien euro goedkoper”, zei ik. “Maak je geen zorgen, we halen wat van de prijs af”, antwoordde de eigenaresse. “De kan zit er alleen niet bij.” Verbaasd vroeg ik haar hoe ik dan koffie moest zetten. “Je hebt thuis toch nog wel iets staan?”

“Wacht even”, sommeerde  ze, en klapte een met tape aan elkaar geplakte mobiele telefoon open. “Ga die kan zoeken!” blafte ze tegen haar man, die blijkbaar ineens buiten schreeuwafstand was. Daarna wendde ze zich tot haar vijf vriendinnen die net de kleine ruimte binnen waren gekomen en vroegen hoe het ging, gilden dat haar kind er zo goed uitzag en dat ze vooral de groeten moest doen aan haar man. Die belde juist weer terug op het vijftig jaar oude telefoontje dat hij de koffiekan niet kon vinden.

“Ik zie er denk ik toch maar vanaf”, zei ik tegen de vrouw. “Even goede vrienden”, vond ze. Ze zwaaide me uit met het koffiekanloze apparaat in de hand. Daarna probeerde ze haar dochtertje in haar nekvel te grijpen, die de nepborsten op haar roze t-shirtje had geplakt en ermee door de winkel paradeerde.

Heksenketel

Tienduizenden mensen in een zaal. Gezwaai met vlaggen. Fransen die met de hand op het hart in de Marseillaise uitbarsten. Speciaal gecomponeerde campagnemuziek met een zwoele stem die de strijdleus zingt. Pittige beschuldigingen aan het adres van de tegenstander.

Ik heb tijdens deze verkiezingen mijn ogen uitgekeken. In Frankrijk geen vriendelijk discours in een lullig zaaltje met interruptiemicrofoons voor wie zijn mond wil roeren. In een republiek gaat het er heel anders aan toe.

Het overwinningsfeest zondagavond op het Place de la Bastille voor Frankrijks nieuwe president, François Hollande, was helemaal een heksenketel. Euforisch links klom op bushokjes, in bomen en in lantaarnpalen. Degenen op de grond werden praktisch geplet door de menigte, maar geen van de kameraden maalde om een brandgat van een joint in zijn jas, een klodder mayonaise op zijn broek of een plens bier in zijn nek.

Tientallen Parisiens hebben blijkbaar een wok van twee meter doorsnee in hun kelder liggen, die ze op dergelijke feesten de straat op sjouwen. Daarin worden dan de vette merguezworstjes gebakken waar linkse politieke bijeenkomsten in Frankrijk het patent op lijken te hebben.

Ironisch genoeg vierde zondagavond het door de socialisten zo verfoeide kapitalisme hoogtij: de enorme vraag van de hongerige menigte stuwde de prijs op tot zeven euro voor twee taaie klompjes vlees op een baguette waar je een ruit mee in kon tikken.

Het feest op de Bastille was net zo goed een ‘oprotfeest’  als een overwinningsfeest. “We  zijn hier omdat we zo ontzettend blij zijn dat die kleine driftkikker eindelijk weg is”, riepen Parisiens Sarah en Maxim temidden van de tienduizenden aanwezigen. Op de vraag of de voormalige president dan echt zo erg was, verstond ik het antwoord niet: een colonne Fransen met trommels en fluitjes denderde voorbij, ‘Bye-bye, Sar-ko-zy’ brullend.

Toch is het niet alleen maar glamour, zo’n republiek. Zo reed een paar weken voor de eerste ronde van de verkiezingen een verregende campagnedubbeldekker door het centrum, het trotse gezicht van Sarkozy op de zijkant geschilderd. Bovenop stond een eenzame militant, overduidelijk een excuus-Afrikaan. Hij zwaaide af en toe lafjes met zijn driekleur en mompelde weinig enthousiast ‘voor een sterk Frankrijk’ voor zich uit.

Rolluik

Tact, vriendelijkheid en een grote portie geduld. Dat zijn de drie basiseigenschappen om in Frankrijk iets gedaan te krijgen van iemand die een uniform draagt. Ik bezit deze karaktereigenschappen wel, maar zodra ik voor een loket sta, domineren irritatie en ongeduld. Dat heeft meestal tot gevolg dat het rolluik letterlijk of figuurlijk direct naar beneden gaat.

“Je moet juist een spel spelen met de Fransen waarvan je iets nodig hebt”, vertelde correspondent Elaine Sciolino van de New York Times me onlangs. Zij schreef een boek over verleiding in het Franse dagelijks leven. Alles draait volgens haar om het spel van aantrekken, afstoten en om de kern heendraaien. Zelfs het kopen van een lamsboutje bij de slager.

De charmante Amerikaanse heeft deze tactieken al buitengewoon goed onder de knie. Toen zij laatst om kwart voor vijf naar de bank ging om wat cheques te incasseren, wilde de beambte haar niet helpen omdat de kas al dicht was – ze gingen immers om vijf uur sluiten. Waar ik die vent een woeste blik zou toewerpen, een paar onbetamelijke woorden zou laten vallen en met veel misbaar rechtsomkeert zou maken, kreeg Sciolino het met wat gefleem zo voor elkaar.

“Ach meneer, ik heb dat geld hard nodig”, zei ze tegen de bankbediende. “Ik heb het verdiend met een boek dat ik over de Fransen heb geschreven, ja, over u! Ahh, daar zie ik al een mooie glimlach. Luister: ik heb u echt gewoon even nodig! Lacht u nog eens zo leuk naar me?”

Het voorbeeld van Sciolino klinkt zo simpel, maar onlangs bleek maar weer dat er geen land meer met me te bezeilen valt als ik op een bureaucratische barrière stuit.

Om vijf voor één zaterdagmiddag stond ik voor het postkantoor. Ik wilde een brief posten die al dagenlang op mijn bureau was blijven liggen, maar een pinnige Française hield me tegen. “Maar daar staan ook allemaal mensen in de rij”, zei ik geïrriteerd. ‘Wij zijn al gesloten”, zei ze streng. “Maar ik hoef alleen maar even een brief te wegen op dat apparaat!” zei ik nu bozig. “We zijn gesloten”, herhaalde ze.

Veel te laat schoot me de les van Sciolino te binnen. Ik probeerde een glimlach tevoorschijn te toveren. “Maar u heeft zo’n mooi uniform aan”, zei ik halfsnauwend. Ze keek me vragend over haar bril aan. “In deze envelop zit geld voor mijn Foster Parentskindje, Jody zal sterven als ik deze brief vandaag niet kan posten!”, smeekte ik daarna.

De vrouw gaf nu een knikje naar een potige bewaker. Hij duwde mij zachtjes over de drempel, deed de deur op slot en liet het rolluik zakken.

Kusje?

Op een Nederlands feestje pakte ik onlangs enthousiast de schouders van één van de aanwezigen. We stonden op het punt om kennis te maken, en even vergeten dat ik niet in Parijs maar Amsterdam was, gaf ik het meisje naar goed Frans gebruik twee zoenen. Ze keek me verbaasd aan, onderging de kennismaking gelaten, en maakte zich vervolgens snel uit de voeten ‘om even haar vriend te zoeken’.

Wat Fransen precies onder ‘faire les bises’ verstaan, werd me duidelijk op mijn eerste Parijse feestje. Terwijl ik door de gang op weg was naar de woonkamer, werd ik door allerlei mensen gezoend die ik niet kende. Ze stelden zich voor en gaven me een kus op beide wangen. Ik vreesde dat dit nu ook van mij werd verwacht en keek enigszins wanhopig naar de overvolle salon. Moest ik al deze mensen nog afwerken? Waarom kon ik ze niet allemaal een fijne, afstandelijke hand geven?

‘Stel nu dat ik op een kantoor werkte’, zei ik tegen een vriendin. Zou ik dan ’s ochtends al mijn collega’s moeten zoenen?’ Élodie  stelde me gerust. ‘Je kust de mensen die je al kent als je met ze afspreekt, of als je ze ergens tegenkomt. Vrienden van vrienden die aan je worden voorgesteld geef je ook ‘les bises’. In een professionele context zoen je meestal niet.’

Toch blijkt die regel zo waterdicht nog niet. Mijn vriendin voegde er geïrriteerd aan toe dat haar vriendje ’s ochtends wél alle vrouwen op zijn afdeling langsgaat. “Dat is daar de gewoonte.”

Toen ik net in Parijs kwam, vond ik al dat gezoen maar onzin. Maar als ik er onderuit probeerde te komen, kreeg ik dat mooi te horen. ‘Eveline heeft me weer niet gekust vandaag’, klaagden de vrienden van mijn kortstondige Franse affaire als ik met een laf ‘hoi allemaal’ en een halfslachtige zwaaibeweging rechtstreeks doorliep naar de bar.

Onlangs merkte ik dat er ook Fransen zijn die misbruik maken van deze gewoonte. Ik kwam bij mijn kiosk op de hoek en begroette de eigenaar Jim met ‘les bises’. Toevallig kwam er net nog een buurman aanlopen die ik ook op beide wangen kuste. Ineens greep een vent van tachtig mijn arm en gaf me twee dikke klapzoenen. “Word ik als enige overgeslagen? Deze kans laat ik niet aan me voorbij gaan!”

Ik moest blij zijn dat ik door ‘le beau Dédé’ werd gekust, vond Jim. “André is immers een begrip in het veertiende arrondissement.”

Ik vergaf Dédé zijn vrijpostigheid direct, want voor de oudemannenkus kreeg ik een mooie ontboezeming terug. “Mijn kleindochter vroeg me laatst waarom ik eigenlijk de bijnaam ‘beau’ heb”, zei hij, terwijl hij mijn arm stevig vast bleef houden. “Want zo knap vond ze me nou ook weer niet.”

Ook Fransen raken wel eens de weg kwijt: hoeveel zoenen in welk departement?

Slavenarbeid

Cameramannen en fotografen duwen elkaar omver om vast te leggen hoe Marine le Pen van haar auto naar het Parijse congrescentrum loopt. De voorvrouw van het Front National mag in een speciaal voor haar gereserveerde lift naar boven, het leger journalisten bestormt de trappen.

“We hebben 500 handtekeningen van gekozenen nodig voordat we mee mogen doen aan de presidentsverkiezingen in april volgend jaar”, hijgt een medewerker van het Front National die niet meemocht in de lift. Hij kan nog net de poot van een camerastatief ontwijken. “Daarom zijn we vandaag op deze burgemeestersbeurs. We hebben ruim 35.000 burgervaders in Frankrijk, die lang niet allemaal aan een partij zijn verbonden. Daar valt dus nog wel wat te halen.“

Generaal De Gaulle bepaalde begin jaren zestig dat presidentskandidaten steunbetuigingen van volksvertegenwoordigers moeten verzamelen voor verkiezingsdeelname, om te voorkomen dat iedere halve zool zich in de strijd werpt. Gevestigde partijen hebben gekozenen genoeg en halen die 500 krabbels zo binnen, maar voor kleine en nieuwe partijen is dat moeilijker.

Marine le Pen organiseerde tijdens het burgervaderscongres deze week haar eigen persconferentie. Geduldig wachtte ze tot alle camera’s in stelling waren gebracht en journalisten klaar waren met schelden omdat ze door elkaars beeld heen liepen. “Ik heb wel wat beters te doen dan bedelen om handtekeningen”, foeterde ze. “Het kost me heel veel geld, tijd en energie. Ik heb bijna 20% van de Fransen achter me staan, kan dit niet anders?”

Le Pen kampt namelijk nog met een ander probleem. De burgemeesters die haar willen steunen, durven daar lang niet altijd voor uit te komen. Ze vrezen dat ze met de nek zullen worden aangekeken en dat het overkoepelende departement uit rancune de subsidie voor de wipkip op het dorpsplein stopzet.

Deze jaarlijkse beurs, waar duizenden burgemeesters in het wild rondlopen, is dus bij uitstek de gelegenheid voor het Front National om te ronselen. Maar op de vraag of ze die middag nog wat burgervaders aan hun jasje zou trekken, antwoordde Le Pen dat ‘dit daar niet de goede plaats voor is’.

De Front National-voorvrouw heeft zo haar eigen strategieën om haar agendapunten onder de aandacht te brengen. Ze deed op haar conferentie een oproep aan premier Fillon om steunbetuigers anoniem te laten tekenen. Vervolgens liet de politica zich uitgebreid interviewen en fotograferen en trakteerde ze de aanwezige journalisten op een glaasje wijn en een hapje.

De rechtse vedette wist het zelfs doen voorkomen alsof zij de media niet voor haar karretje spande, maar andersom. “Het lijkt wel slavenarbeid”, lachte ze charmant toen de fotografen vroegen of ze even op het balkon wilde gaan staan voor een plaatje.